Live Live

Henk Overbeek: ‘Ons hele gezin overleefde het Jappenkamp.’ Deel 1

Gepubliceerd: Donderdag 02 mei 2019 08:49

Henk Overbeek: ‘Ons hele gezin overleefde het Jappenkamp.’ Deel 1

Wanneer leefde je op Java en hoelang heb je er gewoond?

Ik ben geboren in 1936 in Probolinggo, een stadje aan de kust in Oost-Java. Het lag ongeveer ter hoogte van Surabaya, wat een grote stad was. In Probolinggo kwamen (ook Nederlandse) schepen voor anker. De schepen konden niet de haven in.

Verder weet ik niet precies waar we allemaal gewoond hebben, want mijn vader was een houtvester. In dat ambt werd je vrij vaak overgeplaatst van de ene plaats naar de andere. Als baby weet je niet waar je zit.
Ik ben daar opgevoed door de baboes (het vrouwelijke personeel), niet door mijn moeder. Voor de oorlog waren de rijke tijden. Het personeel woonde op het erf. Het waren idioot grote, prachtige huizen.

Als kind kreeg ik in Blora pas in de gaten waar wij woonden, toen in 1937 mijn broer geboren werd. Dit was destijds een hele kleine plaats in de buurt van djatibossen. Die bossen bevatten teakbomen en daarom was mijn vader daar ook houtvester. Voor de oorlog hechtte de regering veel waarde aan de teakbossen, want dat was kostbaar hout. In groten getale werd dit hout naar Nederland geëxporteerd.

Wij hebben totdat de Jappen in 1942 vanuit Malakka Java binnenvielen, in Blora gewoond. De Jappen stopten alles wat Europees of anderszins ongewenst was, in gevangenissen.
Mijn vader werd als ambtenaar, tezamen met de andere ambtenaren van het Indische gouvernement, opgeroepen om in dienst te gaan. Dit was vlak voordat de Jappen binnenvielen. Ze hebben geprobeerd de Jappen tegen te houden, maar dit was onbegonnen werk. De Jappen liepen gewoon over Java heen, er was geen enkele weerstand mogelijk. Misschien dat er ooit iemand geschoten heeft, maar ik heb dat naar mijn weten nooit gehoord.

Voor de oorlog had Nederlands-Indië ook een regering. Je had daar allemaal departementen. Mijn vader behoorde tot het departement van het Boswezen, zoals dit daar genoemd werd. In Nederland noemen ze het Staatsbosbeheer. Het was een hele mooie baan voor mijn vader. Houtvester is een trapje hoger dan boswachters. Zij zetten op kantoor de lijnen uit, zij regelen alles. Uit de verhalen die ik later hoorde, was mijn vader wel altijd veel op pad de bossen in om te kijken naar de staat van de bomen en hoe deze gezaagd werden.

In 1947-1948, we woonden toen in Jakarta, is ons gezin een periode met verlof naar Nederland gegaan. We logeerden in Voorthuizen in het ouderlijk huis van mijn vader z’n ouders, wat heel groot was. Hier woonden destijds twee zusters van mijn vader en zij hebben ons heel goed opgenomen. Na het verlof is ons gezin nog tot 1950 terug geweest in Nederlands-Indië voordat wij definitief in Nederland kwamen wonen. Wij hebben geluk gehad. Velen die terugkeerden hebben moeilijke tijden gekend om in Nederland een bestaan op te bouwen. Over de oorlog werd overigens nooit meer gepraat. Het leven ging ‘gewoon’ weer door. Alle bezittingen die we nog hadden bevonden zich in twee kleine munitiekistjes. Verder hadden we niets meer.


Hoe zijn je ouders in Nederlands-Indië terechtgekomen?


Mijn vaders vader was boswachter was op de Veluwe, die woonde in Voorthuizen. Hij had acht kinderen. Mijn vader ging in Wageningen studeren voor houtvester, dat kwam door zijn vader. Twee andere broers van mijn vader gingen ook in Wageningen studeren. Eén van hen kwam daarna eveneens in de bosbouw terecht en de ander ging varen naar Indië bij KPM (Koninklijke Paketvaart Maatschappij), dit was een Indische maatschappij.
Mijn vader had een vriend uit Putten die hij al kende vanaf zijn tijd op de HBS. Zij besloten in de crisistijd dat er in Holland geen werk voor hen was en daarom zijn ze Tropische Bosbouw gaan studeren. Ze zijn beiden afgestudeerd en vertrokken in 1934 naar Indië. Zo kwamen zij in dienst van het Boswezen.

Uit de verhalen van mijn vader heb ik altijd begrepen dat hij een goede dienstbetrekking had. Mijn moeder stond helemaal achter mijn vader. Ze zijn getrouwd voordat ze naar Indië gingen. Veel mannen gingen ongetrouwd weg en dan kwamen de vrouwen, die via de handschoen trouwden, hun man achterna. Zo ging dat toen.
De mensen leefden daar destijds als “God in Frankrijk”. Mijn ouders waren voor de oorlog welgesteld. Achteraf gezien klopte dit natuurlijk niet. Maar dat was zo destijds. Men voelde zich daar niet schuldig onder. De standaarden waren toen heel anders.


Wanneer bereikten de eerste signalen van de oorlog jullie?


Van mezelf kan ik niet zeggen dat ik het wist, maar uitgaande van de verhalen wisten ze al een half jaar van tevoren dat het zou gaan gebeuren. Ze zagen de Jappen vanuit Japan naar China, Korea, Thailand en Malakka oprukken. Het was maar een klein stapje naar de andere kant. Er zijn wel wat voorbereidingen geweest.
Achteraf hoorde ik dat de voorbereiding op de landing van de Jappen minimaal en te laat was. Er was geen leger, het is zwaar onderschat. Ze dachten eerst dat de Jappen nooit zouden komen.

De oorlog speelde zich al wel op andere plekken af, met name in de Pacific. De Britten waren door de Jappen uit Malakka geknikkerd, dat was al eerder gebeurd. Het Britse leger was sterk, die hebben lang stand gehouden.
Destijds vond ook de Slag in de Javazee plaats. De Nederlandse vloot is daar volledig de grond in geboord. Karel Doorman, die omkwam bij deze slag zei: ‘Ik val aan, volg mij.’ Duizenden mensen zijn toen omgekomen.


Naar het kamp

Toen kwamen de Jappen in groten getale. Zij begonnen alle Europeanen, met uitzondering van de Duitsers die als vrienden gezien werden, in eerste instantie in steden en wijken te verzamelen. Mijn vader werd als eerste afgevoerd naar een kamp, als krijgsgevangene. Wij kinderen en onze moeder werden afgevoerd naar Madiun, een andere plaats op Oost-Java. Toen we uit ons huis gehaald werden mochten wij niets meenemen, alleen de kleren die we aan hadden. Ik heb ze drie jaar gedragen.

Van daaruit zijn wij naar Malang gebracht. Hier werden mensen in huizen ondergebracht met andere families. Wij kwamen in een huis waar al drie families woonden. Het was een vervelende plek, we zaten bovenop elkaar gepropt. De eerste paar weken mochten we nog wel naar buiten naar een park of iets dergelijks. Maar dit hield op. Het huis stond aan de rand van een park. Het was een nette buurt waar alleen Europeanen verbleven.
Aan de rand van dat park stond een gebouw, het gebouw van de Kempeitai. Dat was zeg maar zoiets als wat hier in Nederland de SS was. We hoorden het gekerm en gekreun van mensen die afgetuigd werden. Het was verschrikkelijk om aan te horen. Die Kempeitai was vreselijk schorem. Dit kregen wij dus al mee voor het kamp.

Vanuit Malang werden we in geblindeerde treinen naar kamp 10 gebracht in Banjoebiroe. Zulke treinen als waarin de Joden in Europa werden afgevoerd. Dit was beangstigend, want je had geen idee wat je te wachten stond en wat er ging gebeuren.


Met hoeveel mensen waren jullie daar en wat speelde zich in het kamp af?

Mijn broer was vijf jaar oud en ik zes jaar toen wij in het Kamp Banjoebiroe 10 terecht kwamen. Wij sliepen drie jaar lang samen met onze moeder in Barak 9 in Blok II. De ruimte om op te slapen voor ons drieën was niet meer dan 70 cm breed.
Er waren 23 barakken, verdeeld over drie blokken. Barak 14 was de ziekenboeg. En barak 8A, dat naast de onze lag, was het dodenhokje. Elke dag werden er dode volwassenen en kinderen ingedragen. Deze doden werden buiten het kamp begraven. Naast ons was er ook een kamp 11.

We zijn hier drie jaar lang uitgehongerd en kwamen er zo’n beetje als geraamtes uit. Wat wij aan eten kregen was minimaal. Eten moest je van buiten de poort bij elkaar gescharreld zien te krijgen. Van buitenaf kwamen er mensen bij de omheining van het kamp om handel te drijven met de gevangenen. Veel mensen hadden geld en sieraden weten mee te nemen het kamp in. De omheining bestond slechts uit bamboeschuttingen. Heel eenvoudig, er was geen prikkeldraad. De Javanen kwamen nachts smokkelwaar brengen tegen geld en sieraden. De vrouwen die zich hiermee bezig hielden waren voornamelijk de vrouwen die wat gewiekst waren. Mijn moeder had dit niet in zich.

Als ontdekt werd dat er gehandeld was met mensen van buitenaf, werden de vrouwen allemaal naar het middenveld geroepen. Ze moesten zich dan in rijen opstellen. De vrouwen die gesnapt waren en alle andere vrouwen, waaronder mijn moeder, werden meegenomen naar een grindveld bij de wacht. Hier moesten ze dan de hele dag in de brandende zon overeind blijven staan. Als hun standhouding niet als juist gezien werd, dan werden ze geslagen. Als ze omvielen werden ze getrapt en geschopt door de wachters. De andere gevangenen, waaronder mijn broertje en ik, moesten achter een hek daarnaar kijken. Dat was heftig. Dit gebeurde meerdere keren.

Doch ondanks alle angstige ellende heb ik zelfs een positieve ervaring met een Jap gehad. Dit was nog voor wij in een kamp in een wijk waren ondergebracht. Eén Jap had ergens een kinderfietsje vandaan ‘getoverd’, die hij aan mij gaf. Jappen waren soldaten die, net als de Duitsers hier, familie hadden. Misschien waren het wel vaders van kinderen. Dat weet je niet. Het was een gebaar. Ik begreep dit gebaar toen niet.

Mettertijd kwamen er in het kamp steeds meer en meer mensen. Er waren meerdere kampen op Java en ze kwamen overal vandaan naar ons kamp toe. Van Java, van Sumatra, van Celebes en de Molukken. Overal waren kampen. De kleinere kampen werden ondergebracht in de grotere. Op een gegeven moment verbleven er in ons kamp zo’n 5000 mensen. Van die 5000 mensen zijn er ongeveer 1500 overgebleven. De rest was dood, uitgehongerd. Ik heb hier lijsten liggen met namen van mensen die daar gezeten hebben. Dit is door verschillende mensen na de oorlog uitgezocht.


Hoe kwam je als kind de dagen door in het kamp?

Wij doolden door het kamp en zochten tussen de onkruidsprietjes eten. Er groeide postelein in het wild en dat werd daar als onkruid gezien. In het kamp had je een rij bomen die ze kanariebomen noemden. Hierin zaten een soort vettige nootjes die we met stenen eruit gooiden. Het was een van de weinige dingen die wij te eten hadden in die tijd. Het waren hele hoge bomen. Later zijn ze gekapt voor het hout, dat gebruikt werd in de keuken voor het koken. Toen hadden we geen kanaries meer.
We kregen wel te eten, maar dat was niets meer dan een grote homp brood waarvan wij met zijn drieën moesten eten. Ook kregen we een soort tapiocapapje waar je behang mee kon plakken. Het was een waterig zootje en het was bijna niet te vreten. Maar we aten het, want er was niets anders.

Mijn moeder, die voor de oorlog onderwijzeres was op een basisschool, had wat schriften, een gum en potloden meegenomen. Ze heeft ons drie jaar lang stiekem onderwezen. Het mocht namelijk niet. Na die drie jaar waren de schriftjes onbruikbaar geworden door het vele uitgummen. Mijn moeder hielp ons zo aan een stukje ontwikkeling die we anders hadden gemist. Na de oorlog ging ik pas in 1946 voor het eerst naar een echte school in Borneo.

Behalve de koepokvaccinatie tegen pokken, bestonden er toen nog geen vaccinaties om ziektes te voorkomen. Een paar weken voor de bevrijding werd ik ernstig ziek. Ik had geelzucht. Omdat alleen ernstig zieke mensen vlees of bouillon kregen heb ik het destijds gered. Het vlees kon rattenvlees of slakkenvlees zijn, van alles zijn wat ze maar te pakken konden krijgen. De keuken werd gerund door de vrouwelijke gevangenen.

Deze periode van mijn leven, alsook daarvoor, is voor mij verder een groot grijs gebied. Het zal een verdrongen trauma zijn wat ik ver heb weggestopt.

 

Morgen deel 2: De bevrijding.

 

Jet Rood

Deel deze pagina:

WEEFF - redactie@weeff.nl - Realisatie website: HPU Internet Services