Live Live

Henk Overbeek: ‘Ons hele gezin overleefde het Jappenkamp.’ Deel 2

Gepubliceerd: Vrijdag 03 mei 2019 08:34

Henk Overbeek: ‘Ons hele gezin overleefde het Jappenkamp.’ Deel 2

Vader overleefde de oorlog door ziek te worden.

De Jappen hadden mijn vader te werk willen stellen op de aan te leggen Birma-spoorlijn van Thailand naar Birma (nu Myanmar). Maar omdat mijn vader diarree had en andere symptomen, durfden de Jappen hem er niet heen te sturen. De angst bestond dat hij de werkende mensen daar zou infecteren. De boot waarmee mijn vader naar dat gebied had moeten varen, is met man en muis vergaan. Mijn vader heeft het in het kamp waar hij zat heel zwaar gehad.

Wanneer was de bevrijding en hoe beleefde(n) je/jullie dit?

Mijn vader, die ik drie jaar lang niet gezien heb in die tijd, zat in Cimahi (kamp 4) bij Bandung. Dit kamp was een bekend en berucht krijgsgevangenenkamp. Door zijn werk en leven op Java was hij zeer bekend met het land.
Na zijn vrijlating is hij direct op weg gegaan om naar ons toe te komen. Hij wist waar wij zaten. Het was ons tijdens de gevangenschap toegestaan om af en toe een briefje naar elkaar te sturen. Dit werd wel strikt bekeken of je niets verkeerds schreef. Maar daardoor wist hij dus waar wij zaten. Broodmager bereikte hij ons kamp. Hij had ook een lange baard. Dat hadden wij nooit bij hem gezien. Wij kinderen hadden zoiets van: ‘Wie is die meneer?’

Waarom ik nog leef is omdat destijds de Amerikanen in augustus 1945 atoombommen hebben gegooid op Hiroshima en Nagasaki. Wat was namelijk het geval? De keizer van Japan had gezegd, samen met de generaals denk ik, dat op 25 augustus alle kampbewoners afgemaakt moesten worden. Die zouden op die datum op schepen gezet worden en vervolgens overboord gegooid. Dat was de planning. De oorlog was afgelopen op 15 augustus 1945. Het was kantje boord.

De eerste weken na de bevrijding konden wij het kamp niet uit omdat de ‘Ploppers’ (vrijheidsstrijders) steeds aan het schieten waren. Voordat wij bevrijd werden door de Brits-Indiërs, bewaakten de Jappen ons nog om ons te beschermen tegen deze Javaanse republikeinen. Die waren zo opgejut, dat zij direct na de oorlog hun eigen oorlog startten. De intentie was om van Indonesië een republiek te maken. Ze wilden alle niet-oorspronkelijke bewoners weg hebben.

In 1950 zijn uiteindelijk de Europese mensen weggetrokken uit Nederlands-Indië. In eerste instantie bleef de Nederlands-Indische regering na de oorlog nog zitten. Vandaar dat mijn vader er ook nog aan het werk was.

Het was heel gevaarlijk in die tijd. Je kon niet zomaar ergens naartoe reizen. Dus toen wij van verlof terug kwamen in 1948 woonden wij in Jakarta, maar wij gingen niet zomaar ergens heen. Voor de oorlog kon je bijvoorbeeld vrijelijk de bergen in. Na de oorlog konden we alleen op weg onder begeleiding van militairen. Omdat de regering er nog geen idee van had dat de republikeinen gewonnen hadden, bleven vele Nederlanders nog op Java. Waaronder dus mijn vader. Het was een chaotische toestand.

Achteraf hoorden we over de moordpartijen van het Nederlandse leger. Dat was dan het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger). Die soldaten hebben aardig huisgehouden onder de Javanen, Sumatranen en op Celebes. Het was gedoemd om op te houden. Soekarno(1) en zijn maatjes en leger vochten voor een republiek.

Nadat ons hele gezin herenigd was, werden we vanuit Kamp Banjoebiroe 10 opgevangen in Kamp 7 in Ambarawa. Dit was tijdens de zogeheten Bersiaptijd (2). Tijdens ons verblijf daar werden we beschoten vanuit de bergen. De kogels vlogen door het kamp. Wij verstopten ons achter zandzakken en onder tafels. Dit was echte guerrilla. Dat was beangstigend.
Mijn vader ging hier in de keuken werken. Zo kwamen we weer een beetje aan “goed” eten toe. Ze maakten daar van boontjes een soort snert. Hiervan sterkten we allen lichamelijk aan. In het begin konden we amper iets naar binnen krijgen. Door het uithongeren drie jaar lang door de Jappen, waren onze magen gekrompen. De eerste keer dat ik voldoende te eten kreeg, was ik er doodziek van. Mijn lichaam kon het niet verdragen.

(Noot van de interviewer: 1.Soekarno was nationalist en streefde naar onafhankelijkheid van Nederlands-Indië in de vorm van de republiek Indonesië met Jakarta als bestuurlijk centrum. Om die reden werkte hij in de Tweede Wereldoorlog samen met de Japanners om zo na de Japanse bezetting de macht over te kunnen nemen.
2. Nederlanders die de Japanse bezetting in Nederlands-Indië hebben meegemaakt, vinden het vaak moeilijk uit te leggen dat juist de maanden na het einde van de oorlog in augustus 1945 de meeste bedreigende waren. In deze periode, waarin de Indonesische revolutie gestalte kreeg was er nog geen Nederlands leger dat de orde kon bewaken. Er zijn toen duizenden Nederlanders en anderen vermoord. Volgens ooggetuigen barstte het werkelijke geweld in oktober los.)


Wanneer kwamen jullie naar Nederland en hoe is het jullie vergaan?

Mijn ouders vestigden zich in 1950 definitief in Nederland. Wij kwamen in Nederland aan met het passagiersschip Johan de Witt. Net als tijdens het verlof, verbleven wij eerst bij de zusters van mijn vader in Voorthuizen.
Wij waren door de oorlog erg vervreemd van mijn vader. In het vrouwenkamp waren wij altijd op onze moeder aangewezen en sliepen toen ook alle dagen met elkaar. Mijn moeder heeft zich na de oorlog als enige met onze opvoeding bemoeid. Mijn vader hield zich afzijdig. Dat vind ik nog steeds heel jammer, want die afstand is nooit meer goed gekomen. Mijn ouders waren wel heel close met elkaar. Die hadden het goed samen, tot het einde. Hij had geen belangstelling voor ons (emotionele) welzijn. Zelf kwam hij ook niet met verhalen. Dus na de oorlog gingen we ook altijd naar mijn moeder met onze dingen.

Ze wisten niet goed naar welke klas ik moest ten tijde van het verlof van mijn vader en ook niet toen ik definitief naar Nederland kwam. Gezien dat ik hele stukken onderwijs gemist had, kon ik niet ‘op leeftijd’ in een klas geplaatst worden. Ik ken nu nog steeds de tafels niet. Foutloos schrijven kan ik evenmin.

In Batavia had ik na de oorlog een half jaar HBS gedaan. In Nederland kwam ik op de HBS in Amersfoort. Daar heb ik een stukje van de eerste klas en een stukje van de tweede klas gedaan. Het waren rommelige jaren. Na Voorthuizen kwam ons gezin in Assen terecht. Mijn vader kwam daar bij de Cultuurtechnische Dienst aan het werk. Daar kwam ik in de tweede klas op een provinciale HBS waar ik me helemaal niet thuis voelde. Ik ging over naar het derde jaar en worstelde mij door dat jaar heen. Zelf ben ik in die tijd van huis weggelopen, ik kon het daar niet vinden. Door de vele verhuizingen en de oorlogsellende in mijn leven was het moeilijk me ergens te kunnen binden. Op een dag zag ik op een bord in de HBS een briefje met daarop informatie over de Kweekschool voor de Zeevaart van Amsterdam. Vervolgens besloot ik dat ik niet verder wilde op die HBS in Assen en ben ik naar die Hogere Zeevaartschool gegaan.

Op de Zeevaartschool zaten jongens die in hetzelfde kamp als ik hadden gezeten. Eén van die jongens is later met een meisje getrouwd dat ook bij ons in hetzelfde kamp verbleef. Na onze schooltijd zijn wij altijd met elkaar in contact gebleven. Maar omdat ze ver weg wonen zien we elkaar niet vaak. Eénmaal per jaar hebben we een reünie van de Kweekschool voor de Zeevaart.
Ik heb deze school afgemaakt en ben toen gaan varen voor de Maatschappij Nederland die op Indië voer. Als stuurmansleerling vertrok ik op het passagiersschip “De Oranje”, naar Indonesië; het was mijn moederland.

Mijn broer is in Wageningen gaan studeren. Dat vond hij voor de hand liggen omdat onze vader daar ook gestudeerd had. Na een jaar gaf hij het studeren op. Hij koos toen voor een studie politicologie in Amsterdam. Deze studie heeft hij wel afgemaakt. Hij heeft de opkomst van de Partij van de Arbeid destijds meegemaakt. Alleen kon hij niet goed tegen het ‘gedoe’ binnen de politiek. Uiteindelijk werd hij maatschappijleraar. Mijn broer is op 56-jarige leeftijd overleden aan kanker.
Mijn ouders zijn heel oud geworden. Mijn moeder werd vijfennegentig en mijn vader bereikte de leeftijd van negenentachtig jaar. Zelf had ik nooit gedacht dat ik zo oud zou worden als ik nu ben. Zeventig vond ik eerder in mijn leven al heel wat, maar het gaat maar door.

Een belangrijke draad in mijn leven is het niet echt hebben van vrienden, omdat wij altijd verhuisden. Hierdoor, en zeker ook door de driejarige kamptijd, heb ik moeite met het aangaan van verbindingen met mensen, het hechten. Mijn vermoeden is dat om deze reden mijn drie huwelijken ook geen stand hielden.

Na de koopvaardij heb ik een eigen booreilandenverzetbedrijf [OMC] gerund als Tow-master. Ook werkte ik als kapitein op de sleepboten waarmee booreilanden wereldwijd werden verzet. De laatste zes jaar van mijn werkzame leven zeilde ik met een eigen schip passagiers naar Denemarken ‘de vrijheid’ tegemoet.

De laatste 25 jaar heb ik een relatie met Netty [ex-leerkracht en zeilschipeigenaar] en genieten we van het leven wat ons rest.

Laten we nooit vergeten:
‘Je haalt het kind uit de oorlog, maar nooit meer de oorlog uit het kind!’



In dit gezegde herken ik mezelf, zeker nu ik ouder word, maar al tegoed.

 

 

 

 

 

Jet Rood

Deel deze pagina:

WEEFF - redactie@weeff.nl - Realisatie website: HPU Internet Services